We maken gebruik van cookies om zo de gebruikerservaring van onze website te verbeteren. Cookie Meer informatie

Home » Taalhulpmiddelen Spaans » Spaanse Literatuur » Geschiedenis van de Spaanse Literatuur » De Gouden Eeuw

De Geschiedenis van de Spaanse Literatuur

De Gouden Eeuw

Tijdens de 16e en 17e eeuw beleefde de Spaanse kunst haar moment van glorie. Deze jaren werden de Gouden Eeuw genoemd, wat ironisch genoeg de grootheid nog groter maakte terwijl de economische crisis van het Rijk Asturias verslechterde.

Kunstenaars verschenen in alle artistieke domeinen. In de schilderkunst: Velázquez, Murillo, El Greco; in de beeldhouwkunst: grote, houten sculpturen uit de scholen van Valladolid en Sevilla; in de architectuur: Churriguera en in de literatuur: Cervantes, Lope de Vega, Quevedo, Góngora en vele anderen.

We zullen ons hier focussen op het literatuurgedeelte. Er waren diverse factoren die dit nieuwe tijdperk veroorzaakten. Als eerste was de Spaanse taal enorm ontwikkeld nadat het een periode van enorme veranderingen had ondergaan. Na de Renaissance periode begon men de Spaanse taal te zien als iets wat ze zouden kunnen bestuderen. Het werd gezien als een geciviliseerde taal en grammatica en woordenboeken werden gecreëerd om het stabiel te maken.

Naast de taalkundige ontwikkeling was er ook een ontwikkeling in de kunst. De evolutie die gaande was tijdens de Renaissance leidde tot de Gouden Eeuw. De erfelijke vormen werden zelfs nog ingewikkelder. Alle retorische manieren werden meer gedurfd wanneer de auteurs zochten  naar manieren die meer beschaafd waren. De poëzie werd donker, het theater keerde terug naar de 'theorie van tragedie' van Aristoteles en de roman moderniseerde en werd steeds realistischer naar hij afstand nam van het idealisme. Alles vluchtte voor de horror vacui, anst voor lege ruimtes. Architectuur en sculptuur waren gemengd. In de schilderkunst begon de fase van claire-obscure (techniek van licht en schaduw). Alles was vol met felle lichten en donkere schaduwen op het zelfde moment om volume te creëeren.

Alles dat ooit licht en vrolijk was, was in de barokperiode veranderd in donker en grauw. Het leven werd opnieuw gezien als een tranendal en het idee dat de dood ons achtervolgt al vanaf de wieg (het eerste levensmoment) heerste opnieuw. Dit werd allemaal gekoppeld aan de economische crisis. De inquisitie zocht naar zuiver bloed en vele auteurs van Joodse afkomst moesten hun intelligentie verbergen om argwaan te verkomen. Teresa de Jesús maakte bijvoorbeeld opzettelijk fouten in haar werk zodat niemand haar intelligentie zou opmerken en ze dus geen onderzoek naar haar zouden gaan doen.

Spiritualiteit was aan het veranderen. De Protestantse Kerk daagde de Katholieke Kerk uit, welke goed lette op de auteurs om ervoor te zorgen dat zij niet afweken van de het Katholiek Orthodoxe. Ze hielden een oogje op alle culturele trends die uit Europa kwamen, met name die uit Vlaanderen en die gerelateerd waren aan de ideeën van Erasmus, een Nederlandse Renaissance humanist.

Verassend genoeg verschenen er, naast de Protestantse Revolutie, een aantal grote en mysterieuze Spaanse auteurs: Santa Teresa de Jesús en San Juan de la Cruz. Zij begonnen met die hervorming van de Orde van de Karmelieten en vormden de 'Ongeschoeide Karmelieten' (Karmelieten zonder schoenen), zij waren een katholieke bedelorde.

Geconfronteerd met de rijkdom van de kerk, wilden ze bescheidener worden en 'vroegen' ze om armoede. Ze werden zorgvuldig beschermd door de Inquisitie. Naast de geheimzinnigheid valt Fray Luis de León op die, ookal bereikte hij het geheimzinnige niet, een geweldig asceet (gelovige) is, maar wellicht meer intellectueel is dan gepassioneerd.

De koloniale literatuur van Sor Juana Inés, een geweldige dichteres uit het Onderkoninkrijk van Nieuw Spanje, werd belangrijk. Koloniale literatuur werd belangrijk in de daaropvolgende jaren, zowel voor de Spaanse schrijvers die in Amerika aankwamen en verbaasd waren door wat ze zagen, als voor de Creoolse schrijvers.